Water in de literatuur

Water volgens de Van Dale:

wa'ter, o.(-s,-en) 1. de meest algemene, over de gehele aarde verbreide vloeistof die als zij zuiver is geen kleur, reuk of smaak heeft en welker moleculen uit twee atomen waterstof en één atoom zuurstof bestaan.
  

Iets uit het water eten. (alleen gekookt met niet anders toe bereid)
Water naar de zee dragen. (onnodig werk verichten)
Dat kan al het water van de zee niet afwassen. (een onuitwisbare schande)
Hij heeft door vele waters gezwommen. (hij weet overal wat van)
Op zulke waters vangt met zulke vissen. (van zulk slag  van volk moet men zulke dingen verwachten)
Zo gezond als een visje in het water. (zeer gezond zijn)
 

Water bij het water gooien.
Beter een water in de hand, dan 10 in de lucht.
Hoge bomen vangen veel water.